Pattaya, Bangkok, Hellfire Pass, Three Pagoda Pass, Sangkhlaburi, Kanchanaburi, Bangkok


Voor de vijfde keer in een jaar betreden we Thailand. Is er dan nog wat te zien, vraag je je af. Ja hoor, de sexindustrie van Pattaya, tanks in Bangkok vanwege een staatsgreep, indrukwekkend oorlogsmonumenten in het westen van het land en op de foto met een tijger. We hebben weer genoeg te doen.

=========================

De andere kant van de medaille

We laten Cambodja achter ons en rijden via Hat Lek zuidoost Thailand binnen. Grensformaliteiten zijn wederom een eitje, het Carnet de Passage is zo gestempeld maar dat is slechts een gunst voor ons want Thailand erkent dit document niet. Zelf gebruiken ze een tijdelijk importdocument, vreemd genoeg werd dit vorig jaar bij de Maleisische grens niet gegeven. Dit importdocument kost 25 bath [50 eurocent] en is 1 maand geldig, waarop Coen zegt dat we een tweemaand visum hebben. "Geen probleem, je kunt dit document bij elk douanekantoor verlengen". Coen loopt weg en loopt vijf minuten later terug; "Kun je m'n importdocument met een maand verlengen?"
"Nee, dat gaat niet".
"Maar je bent toch een douanekantoor?".
Die vlieger gaat niet op. Leuk geprobeerd.

We stomen in één ruk door naar Pattaya, een kleine 400 kilometer verderop aan de zuidkust. We hebben de naam gekregen van villa Oranje, een guesthouse dat wordt gerund door een Nederlander. De eigenaar Geert is er niet, de beheerder Martin wel en we worden vriendelijk ontvangen. "Ik zag langs de bovenkant van de poort al iets voorbij gaan, met een groene legerkist erop. Ik vroeg me af of de tanks nu ook hier gearriveerd waren", zijn zijn woorden.
"Waar heb je het over?", vragen wij.
"Heb je het niet gehoord, er is afgelopen nacht een staatsgreep geplaatst. Bangkok staat vol met tanks".
"Oh, daar weten we niets van". Het feit dat we zo makkelijk het land zijn binnengekomen zegt wel wat over de situatie. Deze 18e staatsgreep, in de afgelopen 74 jaar, schijnt de meest "peaceful coup d'état" te zijn. Tanks zijn er alleen in Bangkok en al gauw blijkt dat de inwoners blij zijn dat het leger eindelijk heeft ingegrepen en dat president Thaksin het nu voor het nazeggen heeft. Al vorig jaar was hij continue in het nieuws vanwege grootschalige corruptiepraktijken en de afgelopen maanden zijn er herhaaldelijk grote demonstraties geweest. Uiteraard zegt het iets over de democratie in dit land, dat zo'n probleem met een militair ingrijpen moet worden opgelost. We hopen maar dat de generaal zich aan z'n woord houdt als hij zegt dat ze zo snel mogelijk de macht willen overdragen aan het volk. Tot die tijd houden de soldaten zich bezig met het in ontvangst nemen van bloemen van blije burgers en het poseren op de foto voor toeristen. Er zijn beroerdere staatsgrepen geweest.



Hoe dan ook, wij zitten in Pattaya, ver van dat alles. We bellen Jan en hij komt naar Villa Oranje waar we ons tegoed doen aan een kroket met frieten. Kan niet op, al die Nederlandse maaltijden de laatste tijd! Jan woont in deze regionen omdat hij zich inzet voor malaria bestrijding, tegenwoordig vooral in Indonesië.
Helaas heeft Villa Oranje geen parkeerfaciliteiten maar weet Jan nog wel een goed plekje bij Royal Cliff, aan de rand van het water om te overnachten [gps: N 12.55.718 - E 100.51.800, wel lawaaierig. Beter is het plekje op de parkeerplaats van een eettentje aan het strand: N 12.58.130 - E 100.53.013]. Vanaf Jan's appartement hebben we een fabuleus uitzicht over de verlichte stad waar het nachtleven de grootste economie is. Nu we hier toch zijn moeten we daar maar eens een kijkje gaan nemen.

"In Pattaya komen alleenstaanden, stellen en gezinnen. Er is veel te doen, zoals tochten in de omgeving of amusementsparken", zeggen de mensen hier. Klinkt leuk hoor, is ook allemaal waar, maar als we niet om de hete brij heen draaien komt het er op neer dat Pattaya een gigantische sex industrie heeft, misschien wel de grootste ter wereld. Twintig jaar geleden nog een schattig vissersdorpje, nu een stad waar het centrum bestaat uit een aaneenschakeling van guesthouses, restaurants, massage salons en go-go bars. Simpel gezegd is dit het toevluchtsoord voor mannen uit de Westerse wereld die hier hun heil [lees: vrouw] zoeken. Voor een avond, voor een weekje, voor de rest van hun leven. "Tuurlijk, echte liefde zal ook voorkomen", zeg ik dan, als men mij vertelt dat niet elke man slechts voor de sex komt. Maar daar leeft de Pattaya industrie niet van.

Prostitutie, een "minor wife", een courtesan, een concubine... het zijn geen nieuwe termen die door de Amerikaanse soldaten hier naar toe zijn gebracht, al wordt dat beeld nog wel eens geschept. Pas in 1934 werd polygamie in Thailand verboden en voor die tijd bestond er niet eens een Thais woord voor. Door de eeuwen heen, tot op de dag van vandaag, is het gebruikelijk voor de rijkere mannen om er meerdere vrouwen/ concubines, of welke vorm dan ook, op na te houden.
Er werken tussen de 200.000 en 800.000 vrouwen in de prostitutie [afhankelijk van welke bron je raadpleegt], hiervan schijnt slechts 5% Thai-buitenlander "transactie" te zijn. Waarom hebben we daar dan zo'n ander beeld bij? Ja, prostitutie bestaat ook hier sinds het begin der tijden maar de uitvoering daarvan is volledig anders dan voor de buitenlanders. Aziaten komen voor de prostituees achter de schermen, al dan niet in de vorm van een karaoke bar of massage salon. Buitenlanders komen hier voor de sfeer, willen het gevoel te hebben een vriendinnetje te hebben en er is veel meer behoefte aan een spel dat wordt gespeeld. Een heel andere, openlijkere vorm van prostitutie en dus veel meer zichtbaar. Tegelijkertijd is het ook een gegeven dat, nadat de Amerikaanse soldaten verdwenen begin jaren '90, er door het ministerie van Toerisme is bedacht om deze sexindustrie als marketing tool te gebruiken om het toerisme op te bouwen.
Zou je toch denken dat in elk geval prostitutie in dit land legaal is, niet? Nou nee, officieel is het illegaal maar daar een groot deel van de bordelen/ go-go bars en dergelijke eigendom zijn van belangrijke militairen en/ of politie beambtes moge het duidelijk zijn dat deze beroepsgroep niet grondig wordt aangepakt.
Dan nog wat over de vrouwen en meiden die in deze industrie werken. Het voordeel dat dit eeuwenoude vak altijd erkenning heeft gehad [veel meer dan in welk Westers land dan ook], zorgt ervoor dat deze vrouwen hun eer niet verliezen en na verloop van tijd kunnen terugkeren naar huis en bijvoorbeeld ook nog altijd huwbaar zijn [in tegenstelling tot landen als India en Pakistan waar dit niet het geval is]. In veel gevallen hebben ze zelfs status, want zij zijn het die het geld binnen brengen voor een familie of soms een heel dorp. De meeste meiden komen van het arme platteland uit het noordoosten van het land. In veel gevallen brengt het geld van de prostituee eindelijk wat geld in het laatje van de familie, ze kunnen eindelijk een stukje grond kopen of een buffel. Maar het kan even goed belangrijk zijn dat ze nu eindelijk ook een televisie kunnen kopen, of een tweede motor. Armoede is een breed begrip.
Veel tragischer zijn de geronselde vrouwen uit armere landen zoals Myanmar, Cambodja en Vietnam. Die worden vaak op brute wijze in het vak "geïntroduceerd", zoals dat heet, en dit valt onder een heel andere categorie dan een Thaise vrouwen die hier min of meer voor kiezen. Voor wie hier meer over wil lezen, het boek "Sex slaves" van Louise Brown is een eye-opener. In zuidoost Azië vind je het in elk geval in alle boekwinkels en wordt het door straatverkopers verkocht.



Thailand is nou eenmaal meer dan alleen rijstvelden en Nationale Parken, het nachtleven hoort ook bij Thailand, al is dat geconcentreerd in Bangkok en Pattaya. Daar willen we dan ook wel wat van zien. Jan is zo aardig om ons rond te leiden. De go-go bars zijn bars waar meiden schaars gekleed of simpelweg naakt om palen staan te dansen. Klinkt heel banaal, dat is het ook. Maar goed, dit is een vrouwenoog die hier spreekt. Nu kan ik me wel voorstellen dat dit niet de meest interessante baan is die er bestaat. Toch had ik gedacht dat er meer een spel gespeeld zou worden, alsof die meiden in elk geval de indruk zouden geven dat ze het naar hun zin hadden. Gewoon, omdat dat bij hun vak hoort [zou ik denken]. Ganz nicht, de verveling straalt van de gezichten af. Hierbij moet ik opmerkingen dat de mannen daar een andere mening over hadden dan ik, maar ja ik schrijf het verhaal. Ik vond dat die meiden volledig gedesinteresseerd, in het luchtledige starend, daar wat rondhuppelden. Verder verbaasde het mij hoe groot de industrie in Pattaya is. Hoeveel bars, disco's in allerlei vormen en maten er zijn, niet te geloven. Het is er nu redelijk leeg, laagtepunt van het laagseizoen. Wat moet dit in december niet zijn? Jan vertelt over hiërarchieën in deze industrie, bars voor de mooiste meiden die het meest verdienen tot bars waar de goedkoopste meiden hun geld bij elkaar moeten zien te scharrelen. In een bar kun je vragen of zo'n meisje even bij je komt zitten en moet je haar drankjes betalen. Een goedbetaalde go-go dame verdient zo'n 6000-7000 bath per maand [120 tot 140 euro] en dat is meer dan een gemiddelde overheidsbeambte.
Nou ja, ik heb het gezien zullen we maar zeggen. Er is een wereld voor me open gegaan, het boek kan weer dicht.


Naar Bangkok

Het is een maandag als we stad binnenrijden en we worden begroet door een gele menigte. Ach ja, het is maandag. En dit jaar is maandag de gele dag. Immers de koning is op maandag geboren, en daar deze goede man dit jaar 60 jaar op de troon zit, èn maandag en geel vanuit spiritueel oogpunt bij elkaar horen, draagt de meerderheid van de Thais dit jaar op maandag een geel shirt. Leuk is dat.
De tanks zijn zo goed als verdwenen, we zien er nog een paar staan in de buurt van het koninklijk paleis maar voor de rest lijkt de vrede hersteld. Een paar weken later is er ook inderdaad een interim regering geïnstalleerd maar het staat van beleg wordt nog niet opgeheven. Dit zal onder andere te maken hebben met de moslim ongeregeldheden in het zuiden des lands. Een staat van beleg maakt het veel makkelijker om sneller en hardhandiger in te grijpen.



We nemen onze intrek in het Home en Garden guesthouse in een klein achteraf straatje in de Banglampu wijk, waar we voor 3 dollar een kamer hebben en de auto in de straat kunnen laten staan. Hier zitten we een kleine 3 weken. We hebben nog allerlei praktische dingen te regelen, dingen die ooit eens moeten gebeuren, dingen die noodzakelijk zijn en we doen nu liever alles in Bangkok dan straks in zuid Amerika. Hier is het goedkoper en kunnen we straks met een schone lei aan een nieuwe fase beginnen. Tandarts onderhoud, m'n eerste leesbril, nieuwe typhus vaccinatie en een yellow fever vaccinatie, Coen werkt hard aan de nieuwe website en maakt ansichtkaarten die nu op de website zijn te bestellen. We zoeken naar impregneermiddel voor de lekkende tent, naar canvas voor de instortende luifel, naar raggertjes om de benzinebrander te kunnen schoonmaken, en ga zo maar door. Het is een eindeloze lijst, voor elk ding dat we afstrepen komen er twee bij. Hiermee zullen we jullie allemaal niet verder vervelen.


Op vakantie...

Na 3 weken heb ik m'n buik er goed van vol. De herrie, de stank, m'n longen zijn alleen nog maar gevuld met uitlaatgassen en m'n oren staan op knappen. We gaan er tussen uit, op onze manier op vakantie, haha! Een weekje naar de jungle in het westen des lands. Voorbij Kanchanaburi wordt het rustiger op de weg, de vrachtwagens zijn verdwenen, de wegen worden smaller en slingeren meer en meer door prachtige met jungle begroeide bergen. Een groot deel van dit deel van het land bestaat uit Nationale Parken.

We stoppen bij Hellfire pas, een herdenkingsmonument ter ere aan de krijgsgevangenen en dwangarbeiders die hier in de tweede wereldoorlog hebben gewerkt aan de Thai-Burma spoorweg. De Australiërs hebben hier een mooi, goed museum gebouwd. Zo leren we dat hier 60.000 krijgsgevangenen uit Engeland, Australië en Nederland [18.000] hebben gewerkt waarvan er ruim 12.000 zijn overleden [ruim 1800 Nederlanders]. Er zijn ook 200.000 Aziaten te werk gesteld, door de Japanners, om hier onder erbarmelijke omstandigheden hun aandeel te leveren. Bijna de helft van hen overleed. Onder andere het feit dat de krijgsgevangenen zelf doktoren hadden maakte dat onder de krijgsgevangenen het aantal slachtoffers minder dramatisch was. Deze Thai-Burma spoorweg is één van de grote tragieken van de tweede wereldoorlog. Tegen afspraken in gebruikten de Japanners de krijgsgevangenen toch om te werken aan projecten die hun oorlogsinspanning zou helpen. De Japanners waren op weg naar India, hun volgende doel voor invasie maar hun schepen werden continue gebombardeerd. Wat biedt een betere bescherming tegen gezien te worden dan een dichte jungle en zodoende werd een spoorweg dwars door de jungle gebouwd.
Hellfire Pas slaat op één klein stukje, een diepe uitgraving in Konyu. Vanwege het flikkerende licht van het open vuur dat 's avonds brandde kreeg het de bijnaam "Hellfire Pas". Naast een bezoek aan het museum is het mogelijk om een stuk langs de spoorweg te lopen, al bestaat de spoorweg niet meer. Direct aan het eind van de oorlog hield deze alweer op te bestaan. Wat een verkwisting...
Nu is het een mooie omgeving, uitkijkend over de vallei probeer je je in te leven hoe het hier geweest moet zijn. Het is niet voor te stellen.



De parkeerplaats is een mooie plek om te overnachten, we koken ons potje en maken onze koffie. Het is al donker als er iemand uit het gebouw komt, de man kijkt ons verbouwereerd aan; "Wat doen jullie hier?"
"Koffie drinken"
"Weten jullie niet dat Thailand in staat van beleg is?"
"Jawel".
"Weten jullie ook dat je je hier op militair grondgebied begeeft en dat jullie aanwezigheid hier mijn ontslag kan betekenen?", en hij begint een hele tirade. Hij heeft een flinke borrel op en draaft nogal door over ontwetende buitenlanders en de gevaren van de wereld. Tja, de combinatie van een staat van beleg èn op militair grondgebied staan [wat we niet wisten], lijkt ons nou ook niet zo'n geweldig idee. Intussen leren we dat de tierende man Bill heet, een Australiër èn beheerder van het museum is. Hij biedt ons aan om in z'n huis te overnachten en dat nemen we dan maar aan.
Hij moet een uurtje weg maar maakt eerst een fles wijn voor ons open, een echte Jacob's Creek uit Australië. Tongstrelend, zalig. Een uur later is hij terug, met drie porties Phat Thai [roergebakken noodles] en al hebben we net ons eten op, we doen ons tegoed aan de Phàt Thai met een glas wijn. We hebben een interessante avond, als ex-militair heeft hij veel te vertellen al zijn z'n verhalen soms wat warrig door het alcohol percentage. Hij vertelt dat dit museum met buitenlands geld is gebouwd en door Australië wordt beheerd. Zoals het een herdenkingsmonument betaamt, vind ik, wordt hier geen entree voor geheven [maar kun je natuurlijk wel doneren]. Nu de bezoekersaantallen boven de 80.000 per jaar uitkomen hebben de Thais bedacht dat ze dit zelf willen doen, zodat ze een entree kunnen heffen van 200 bath [4 euro] per persoon. Money rules the world. Harde gesprekken tussen overheden zijn het gevolg, met Bill in het midden. Hij vertelt ook dat Nederland geen aandeel in dit museum heeft. Volgens hem heeft de Nederlandse regering nooit erkend dat de Nederlandse mannen die hier gewerkt hebben, krijgsgevangenen zijn. Niet alleen krijgen ze deze erkenning niet, maar dus ook geen vergoeding zoals kennelijk gebruikelijk is. Volgens de Nederlandse regering waren het geen soldaten maar boeren [gevangen genomen op Java]. Dit verhaal zegt ons helemaal niets, we zijn benieuwd of iemand van onze website lezers hier een licht op kan werpen. Dat horen we dan graag. Volgens Bill komen er jaarlijks genoeg Nederlanders naar Hellfire Pass die nog altijd boos en gefrustreerd zijn over dit gegeven.


Kamperen tussen krekels en kikkers

De volgende ochtend nemen we afscheid van Bill en vervolgen de weg verder naar het westen des lands. We vinden een schitterende kampeerplek bij Pom Pi Nai, een twintigtal kilometers ten zuiden van Sangkhlaburi [gps: N 15.01.109 - E 098.34.994]. 't Kost dan wel 200 bath per persoon maar dan hebben we ook wel een echte camping met een schitterend uitzicht over een grandioos groot stuwmeer en het rijk voor ons alleen.
Hier vandaan is het niet al te ver meer naar de grens met Myanmar. De drie pagoda's, die de grens aanduiden, zijn de kleinste die we ooit gezien hebben en dit grensstadje biedt eigenlijk niets interessants om er te blijven. We draaien om en overnachten in Sangkhlaburi op de parkeerplaats van het P. guesthouse [gps: N 15.08.570 - E 098. 27.391]. Aan het eind van de middag besluiten we een kijkje te nemen bij één van de tempels. Tot onze verbazing zijn de bermen van de weg ernaar toe helemaal bezaaid met mensen die daar allemaal zitten in een rood geblokte lungi's [soort sarong] met witte blouse en met bloemen in hun hand. Wat zou hier aan de hand zijn? Bocht na bocht zitten er mensen. We mogen wel doorrijden maar moeten dan ergens parkeren en het laatste stukje lopen naar de tempel. Hier is een groot ontvangstcomitée van alle monniken die hier wonen en de nodige militairen, voor hen is het kennelijk ook interessant want menig militair loopt met een fototoestel rond. We zijn net in de tempel of daar komt een menigte aan, er wordt een dode binnengedragen, gewikkeld in een goudkleurig doek. Het blijkt de hoogste monnik van deze sekte te zijn en wordt duidelijk door veel mensen op handen gedragen [nu letterlijk]. Heel imposant, vooral de rust en stilte van zo'n grote menigte is indrukwekkend. Van de tempel zien we nu niet veel, maar vinden het net zo mooi om zoiets te hebben gezien.



We zoeken naar een National Park waarvoor we niet hoeven te betalen en dat lukt. Via een klein weggetje en een klein weggetje, of zoiets, komen we bij de entree uit van het Lamklongngu National Park, en mogen na een registratie doorrijden. Kijk, dat is nog eens leuk. Dit gebied is duidelijk niet ontwikkeld, we zijn van de harde wegen af en hobbelen voort op steenslagwegen met de nodige bandensporen en kuilen. Hoe zou dit zijn na een regenbui?, we hebben al twee dagen geen regen gehad. Er is een camping maar die is uitgestorven en we kunnen ons plekje kiezen aan de hardstromende rivier [gps: N 14.54.302 - E 098.43.832]. De wandeltocht naar de watervallen is één van de mooiere die we in zuidoost Azië hebben gedaan, voornamelijk omdat het pad niet is aangelegd. Lekker klauteren over boomstammen, over keien en rotsen, stukjes banjeren door het water omdat de rivier nu zo hoog staat. Houden we wel van. Het water, en dus de Nang Kruan waterval, is woest. Te woest om in te zwemmen, dat is wel jammer. 's Avonds genieten we weer eens van een lekker eigen pressure cooker prutje. Terwijl muggen, motten, sprinkhanen en andere insecten ons komen besnuffelen, laten we ons verrassen door een oorverdovend kikkerconcert. Welkom in de jungle. We genieten!

We verlaten het park en proberen via binnendoorwegen terug te rijden naar Kanchanaburi. Routekaarten van dit soort verlaten gebieden kloppen meestal niet en het is maar een beetje rondvragen in dorpen en kijken waar je uitkomt. Mooi gebied, slingerend door plantages waar chilipepers, afrikaantjes en mais worden verbouwd. We komen door andere Nationale Parken maar daar we slechts op doorreis zijn hoeven we de entreegelden niet te betalen. Het populaire Erawan park heeft nu een entree van 400 bath [8 euro] per persoon, om een waterval te bekijken. Volslagen belachelijk!, doen we dus niet. Na een relaxte dagtocht over hobbelwegen arriveren we 's avonds in Kanchanburi. Het Bluestar guesthouse [gps: N 14.02.125 - E 099.31.052] laat ons gratis op de parkeerplaats overnachten en we drinken een borrel met de supervriendelijke eigenaren. De man vindt het geweldig wat we doen en we krijgen zelfs 5 bath korting op elk drankje, om onze reis te sponsoren! Zoiets hebben we in zuidoost Azië nog niet veel meegemaakt.
De oorlogsbegraafplaats in Kanchanaburi, geopend in 1993, ziet er mooi en goed onderhouden uit. Opvallend is dat de Engelsen en Australiërs veel vaker een christelijk kruis op het graf hebben laten plaatsen dan Nederlanders. 's Middags bezichtigen we de Tijger tempel ten noorden van de stad. Ooit werd er een tijgerwelp aan de tempel aangeboden, z'n moeder was door stropers gedood. Van 't één kwam het ander en de tempel is nu een groot tijgeroord, waar gevonden welpen worden opgevangen en nieuwe welpen worden geboren. Het is een toeristenattractie geworden waar je voor 300 bath [6 euoro] bij de tijgers kunt zitten, dè bron van inkomsten voor deze tempel, en momenteel wordt hard gewerkt een een groot eiland waar de tijgers kunnen rondlopen. Verder werken ze eraan om jonge welpen terug te zetten in het wild. We hadden ons over laten halen door enthousiaste verhalen van andere reizigers en van hen een ander beeld gekregen dan we tegen kwamen. Teveel toeristen op een kluitje en teveel tijgers in een klein stukje van een zandafgraving waardoor het te vol was. Het blijven wilde dieren en de medewerkers hebben een strak regime [terecht]. Eén toerist aan de hand van een medewerker met een tweede medewerker om het fototoestel te bedienen. Zelf foto's maken mag niet, dit is goed te begrijpen maar wel jammer, zeker voor een fotograaf als Coen. Nou ja, het komt erop neer dat je in sneltrein vaart langs een aantal tijgers loopt, ernaast zit en een foto wordt gemaakt. Tja, we hebben het gezien zullen we maar zeggen.

Posted: Di - Oktober 24, 2006 at 05:09 PM          


©