
 
|
tekst: Karin-Marijke Vis
foto's: Coen Wubbels
Op zoek naar de hoofdweg
Over strakke, geasfalteerde slingerweggetjes rijden we door een ruig en verlaten gebied. We zijn in Ladakh, letterlijk "het land van de hoge passen". Het is tevens het land van de boeddhisten en om ons heen doemen donkerrode kloosters op met gigantische, goud geverfde Boeddhabeelden. Vanaf Leh rijden we over de hoogst berijdbare weg ter wereld, met de Khardung La pas op 5.600 meter, naar het noordelijkste puntje van India, de Nubra vallei.
Op 4.600 meter worden we tegengehouden door militairen: "De pas is een eenrichtingsweg en je kunt vanaf deze kant slechts tot half elf naar boven rijden". Jammer genoeg is het net half elf geweest dus we zullen tot morgen moeten wachten. We parkeren de auto op het militaire terrein en vermaken ons met het aanschouwen van een cricketspel tussen twee militaire teams, hun wekelijkse zondagvermaak. Eén van de militairen vertelt dat hij hier aan het acclimatiseren is voor z'n taak op de 6.000 meter hoge Sianchen gletsjer, waar de Chinezen, Pakistanen en Indiërs vechten om een gletsjer en waar dagelijks een dode valt door kou of hoogteziekte. "Het is een vrijwillige keuze om daar te dienen, maar het betaalt goed en er zijn veel faciliteiten", aldus deze militair. Ik vraag of dat opweegt tegen de risico's, en hij vindt van wel. Hij liever dan ik en ik wens hem veel sterkte. In één keer van 3.500 naar 4.600 meter blijkt een beetje teveel van het goede, met als gevolg dat we een slapeloze nacht hebben door de hoogte en de vreselijke kou. De militairen zijn zo vriendelijk om ons om zes uur te wekken door op de auto te kloppen en te zeggen dat de pas geopend is. Het is nog donker en veel te koud om op te staan, half tien vinden we vroeg genoeg.
De zijderoute
Het is een flinke klim omhoog; de groene omgeving van Leh achter ons latend rijden we naar hoogtes waar we steeds meer omringd worden door witte bergtoppen. De top van de pas heeft een bonte, chaotische verzameling aan boeddhistische vlaggen en het is een mooie plek om van het uitzicht te genieten. "Nubra" betekent "groen", maar dat vinden we lichtelijk overdreven voor deze vallei, waar groen niet veel meer is dan een paar struiken. De vallei wordt omringd door ruige, kale roodachtige bergen met af en toe een witte bergtop. Het dal bestaat uit tal van ministroompjes die door een kurkdroge rivierbedding stromen totdat die ineens overgaat in een woestijn met spectaculaire zandduinen. Dit alles zie je binnen een tijdsbestek van tien minuten rijden en dat vinden we toch wel erg bijzonder en zeer fraai. Er zijn maar een paar dorpjes en de vallei biedt dan ook een overvloed aan prachtige, eenzame plekkies om heerlijk te kamperen waar we volop gebruik van maken. Daar staan we dan, in het midden van de rivierbedding tussen kleine stroompjes, in alle eenzaamheid met af en toe gezelschap van vogeltjes of een kudde koeien die hun dagelijkse wandeling maken.
Door de Nubra vallei lopen diverse takken van de eeuwenoude zijderoutes tussen Ladakh en Yarkand (in China). Elk jaar, in september, wordt hier een onderdeel van het Ladakh festival georganiseerd: "Caravan on Silk route". Zo'n tweehonderd lokale mensen bewandelen, gehuld in traditionele kleding en vergezeld van yaks, kamelen en pony's, opnieuw deze zijderoute. Het is een lokaal festival, met als doel de eigen tradities niet verloren te laten gaan in de ontwikkelingen van de moderne tijd. De karavaan wordt door toeschouwers gevolgd en de dorpelingen komen 's avonds en masse bijeen om te genieten van een avond met traditionele gerechten, dans en muziek. Daar tussendoor zwerven dan een paar eenzame toeristen, waar wij er twee van zijn.
Het festival begint in Panamik, het noordelijkste puntje van de vallei, waar op een klein veldje tenten zijn opgezet. In één van de tentjes laten we ons de traditionele gerechten goed smaken, zoals tsampa met een saus op basis van kurd (yoghurt), momo's (deegpakketjes gevuld met kaas, vlees of groente), en pulao (rijst met kruiden en groente). Achter hele lage tafeltjes liggen tapijten op de grond en we doen onze schoenen uit om zo geknield achter de tafeltjes te kunnen zitten. Volgegeten-en gedronken begeven we ons naar de grote tent waar de voorstelling, na de nodige speeches met uitvoerig eerbetoon aan de VIPs, kan beginnen. De diverse dorpen of streken uit de vallei hebben hun artiesten hierheen gebracht en elke groep voert zijn traditionele dans ten tonele, terwijl Chang, een lokaal brouwsel van gefermenteerde gerst, keer op keer wordt bijgeschonken. Gedurende de komende dagen kamperen we in de wildernis, volgen overdag de karavaan en genieten van de gezellige avonden. Voor we het weten is het festival weer voorbij en keren we terug naar Leh.
Militairen
Vanaf Leh rijden we naar het ver-van-alles gelegen Tso Moriri meer. Voordat we de hoofdweg verlaten, passeren we een checkpost. Maar zoals overal staat ook hier de slagboom open. Doorrijden dus, hoewel er achter ons een militair begint te fluiten die wil dat we stoppen, maar we doen net of we gek zijn. Kruispunt, links of rechts... mmm, stoppen om borden te lezen. De plaatsnamen op onze kaart staan niet op deze borden, we twijfelen. Dit geeft de militair natuurlijk de tijd om ons te benaderen en te vertellen dat we moeten betalen. Maar intussen weten we allang dat betalen bij dit soort checkposten alleen gebeurt door de gek die betaalt, dus wij hebben ons antwoord klaar:
"Buitenlanders hoeven niet te betalen".
"Jawel, iedereen moet betalen. 300 Rupees".
"Nee hoor, we hoeven niet te betalen".
Dat gaat een paar keer over en weer. We blijven netjes en beleefd, maar stellen dat we niet hoeven te betalen en rijden weg.
"Je kenteken is genoteerd", roept de militair ons achterna maar doet verder niets. Hij is z'n zakcentje misgelopen.
---------------------- Do you want to read more or are you interested in one of our other stories, let us know. |
|
|
|
|